Facultair reglement bachelorpaper en masterproef

I Richtlijnen en afspraken in verband met de bachelorpaper

1 Opzet

  • De bachelorpaper is een wetenschappelijk werkstuk van beperkte omvang. De student werkt in een wetenschappelijk onderzoeksdomein en leert de volgende vaardigheden: onderzoeksvragen formuleren, relevante bronnen selecteren en verwerken, wetenschappelijke literatuur kritisch evalueren, en de onderzoeksresultaten uitschrijven met inachtneming van de vereisten van een wetenschappelijk betoog.

  • Deze richtlijnen beschrijven het facultair kader voor de bachelorpaper. Binnen dit kader kunnen de verschillende POC's specifieke richtlijnen opstellen en ter goedkeuring aan de faculteit voorleggen in de Faculteitsraad van mei.

 

2 Inwerkingtreding

  • Deze richtlijnen en de door de Faculteit goedgekeurde aanvullende POC-richtlijnen gelden vanaf het academiejaar 2003-2004. Zij kunnen gewijzigd worden door de Faculteitsraad, ten laatste in de vergadering die het academiejaar voorafgaat waarin de wijzigingen van kracht worden.

 

3 Keuze en registratie van het onderwerp

  • De toewijzing van de onderwerpen is de verantwoordelijkheid van de POC en niet van de individuele docent.
  • De POC bezorgt de studenten een lijst met onderwerpen. De onderwerpenlijst wordt samengesteld op basis van suggesties van individuele docenten en van onderzoekseenheden en is gestructureerd in individuele onderwerpen en/of projecten met meerdere individuele onderwerpen.
  • De POC kan er ook voor opteren om de studenten in eerste instantie te laten kiezen voor een wetenschappelijke discipline en achteraf het concrete onderwerp en de begeleidende docent aan de student mee te delen. Op die manier kan de POC waken over een evenwichtige spreiding van het aantal papers per docent.
  • De studenten registreren zich bij een onderwerp volgens een door de POC bepaalde procedure.
  • Na de registratie van het onderwerp van de bachelorpaper kan de student enkel na gemotiveerde aanvraag met goedkeuring van de programmadirecteur een onderwerp wijzigen.
  • De student neemt tijdens de eerste maand van het academiejaar waarin de bachelorpaper wordt ingediend contact op met de docent bij wie het onderwerp gemaakt wordt om de voortgang af te spreken.

 

4 Uitwerking

  • De bachelorpaper is een wetenschappelijke werkstuk dat ofwel de vorm aanneemt van een tekst ofwel een andere vorm kan aannemen (artikel, CD, website...). Elke POC legt de toegelaten vormen en criteria schriftelijk vast, evenals de toegelaten dragers.
  • De bachelorpaper heeft een duidelijke vraagstelling, een correcte methodologie, een grondige analyse van de relevante bronnen, een kritische verwerking van de relevante wetenschappelijke literatuur, een heldere synthese en genuanceerde interpretatie van de problematiek en is in een verzorgde taal opgesteld.
  • De bachelorpaper is niet langer dan 90.000 tekens, blanco's inbegrepen. De literatuurlijst, illustraties en bijlagen worden daarbij niet meegerekend. De POC kan concrete richtlijnen voor de vormgeving opleggen.
  • De bachelorpaper wordt opgesteld in het Nederlands of voor studenten Taal -en Letterkunde die een moderne vreemde taal bestuderen, in de taal van het studiegebied. Studenten die, daarbuiten, hun bachelorpaper in een andere taal wensen te schrijven, richten een gemotiveerde aanvraag tot de POC.
  • Bij elke bachelorpaper, wordt een samenvatting van 2.500 tekens toegevoegd volgens de richtlijnen van de POC.

 

5 Begeleiding

  • Als begeleidend docent van een bachelorpaper kunnen optreden: alle ZAP-leden en gepromoveerde AAP/BAP-leden die aan de universiteit verbonden zijn en aanvaard zijn door de POC.
  • In studierichtingen met een groot aantal studenten kan het aantal bachelorpapers per docent worden beperkt. De POC stelt daarvoor duidelijk omschreven criteria op en houdt toezicht op de naleving ervan.
  • Problemen bij de begeleiding van de bachelorpaper kunnen zowel door de promotor als de student worden gemeld bij de programmadirecteur die de zaak onderzoekt en verder volgt.

 

6 Indiening

  • De bachelorpaper moet uiterlijk de eerste maandag van elke examenperiode ingediend worden. De student bezorgt een papieren versie aan de begeleidende docent (besluit Didactische commissie 9/10/2006) en voert tevens een elektronische versie in op Toledo.

 

7 Evaluatie

  • De evaluatie bestaat uit één examencijfer op twintig. De POC kan nader bepalen hoe dit cijfer wordt opgebouwd.

 

II Facultaire richtlijnen en afspraken in verband met de masterproef

De hierna volgende richtlijnen en afspraken beschrijven het facultaire kader voor de masterproef. Ze hebben niet het statuut van een reglement, maar schetsen een kader waarin volgens de faculteit de masterproef moet worden gezien. Binnen dit kader kunnen de verschillende POC's specifieke richtlijnen opstellen, die ze ter goedkeuring voorleggen aan de faculteit.

1 Opzet

De masterproef is het werkstuk waarmee de student de masteropleiding voltooit en blijk geeft van een analytisch, synthetisch en probleemoplossend vermogen. Het werkstuk weerspiegelt de onderzoeksingesteldheid van de student en is een eerste product van zelfstandig uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek. De student toont aan dat hij individueel in staat is primaire en secundaire bronnen kritisch te analyseren en de gebruikte onderzoeksmethodologie te verantwoorden.

2 Inwerkingtreding

Deze facultaire richtlijnen en de door de faculteit goedgekeurde aanvullende POC-richtlijnen gelden vanaf het academiejaar 2007-2008. Zij kunnen door de Faculteitsraad gewijzigd worden, uiterlijk in de laatste vergadering vóór het academiejaar waarin de wijzigingen van kracht worden.

3 Statuut, keuze, registratie van onderwerp

De masterproef is een opleidingsonderdeel in de initiële masteropleiding. De masterproef wordt als jaarvak opgevat en sluit aan bij het vakgebied van de opleiding/optie die de student volgt.

De masterproef verschilt van de bacherlorproef in gewicht, omvang en doelstelling. De masterproef en de bachelorpaper hebben eigen criteria, een eigen wetenschappelijke vraagstelling en een eigen evaluatie.

Masterproef en stage kunnen worden geïntegreerd, maar de masterproef moet meer zijn dan een loutere beschrijving van de stagewerkzaamheden.

De masterproef kan individueel of in groep worden gemaakt. Bij groepswerk moet duidelijk omschreven worden welke student voor welk deel inhoudelijk verantwoordelijk is, zodat een individuele beoordeling mogelijk is.

De toewijzing van de onderwerpen is de verantwoordelijkheid van de individuele docent. De POC waakt erover dat de maximale begeleidingslast van de betreffende docent niet overschreden wordt.

De procedures i.v.m. de keuze, toewijzing en registratie van de onderwerpen en de formele vereisten worden per POC bepaald. De onderwerpen worden uiterlijk één week voor het begin van het academiejaar bekendgemaakt. De student kan steeds zelf een onderwerp voorstellen.

De student registreert zelf tijdig het onderwerp van de masterproef volgens een procedure vastgelegd door de POC.

Na de registratie van het onderwerp kan de student deze onderwerpskeuze enkel na gemotiveerde aanvraag en met goedkeuring van de bevoegde programmadirecteur wijzigen.

4 Uitwerking

Ongeacht de gevraagde rapporteringsvorm(en) moet een masterproef in ieder geval een schriftelijke neerslag hebben, met een wetenschappelijke situering van de onderzoeksvraag, aandacht voor de theoretische onderbouwing en kritische reflectie op het bereikte resultaat.

Uit de rapportering moet blijken dat de student de verzamelde informatie en de verkregen resultaten heeft geïnterpreteerd in functie van wat relevant is voor de vraagstelling. Verschillende standpunten moeten tegenover elkaar geplaatst worden en het beargumenteerde eigen standpunt moet tot uiting komen.

De masterproef is niet langer dan 160 000 tekens, exclusief literatuurlijst, illustraties en bijlagen. De student geeft onderaan de samenvatting van de masterproef aan hoeveel tekens zijn werkstuk omvat.

 

Taalgebruik en redactie van de masterproef moeten verzorgd zijn.

De masterproef wordt opgesteld in de taal van de opleiding. Studenten van een Nederlandstalige opleiding hebben het recht om de masterproef in het Nederlands te schrijven. Enkel wanneer het studieobject van de masterproef een moderne vreemde taal of literatuur is, mag opgelegd worden dat de masterproef in die taal wordt opgesteld. Studenten die hun masterproef in een andere taal dan het Nederlands willen schrijven, moeten een gemotiveerde aanvraag richten tot de programmadirecteur van hun studierichting.

De student voegt aan de masterproef een samenvatting van 2500 tekens toe. Bij een masterproef in het Nederlands hoort een samenvatting in een andere taal, bij een masterproef in een andere taal een samenvatting in het Nederlands. Studenten in anderstalige opleidingen schrijven een samenvatting in de taal van de opleiding.  

5 Begeleiding

Als promotor van een masterproef kunnen optreden: ZAP-leden, doctorassistenten en andere (post)docs met een tijdelijk statuut. Naast de promotor kan er een copromotor worden aangeduid, die houder is van een doctoraatsdiploma.

Bij begeleiding door doctor-promotoren wordt een ZAP-lid aangesteld dat garant staat voor de voortzetting van de begeleiding bij een eventuele mandaatsbeëindiging van de doctor-promotor. Een doctor-promotor kan maximaal 3 verhandelingen per jaar begeleiden. De POC waakt over een evenwichtige spreiding van de begeleidingslast.

Een doctoraatsstudent kan geen promotor zijn, maar wel begeleidingstaken opnemen. Er moet worden op toegezien dat door deze begeleidingstaken het volume van de maximaal toegestane dienstverlening niet overschreden wordt.

De begeleiding van de masterproef gebeurt in principe individueel. Studenten die een verwant thema behandelen, kunnen ook gezamenlijk worden begeleid.

De promotor en de student trachten het onderwerp van bij de aanvang goed te omschrijven en gaan de haalbaarheid van het onderzoek na. Bij de aanvaarding van het onderwerp maken ze ondermeer concrete afspraken over de begeleiding en het tijdsschema. De promotor wijst de student bij die gelegenheid op de nadelige gevolgen die met laattijdig afstuderen zijn verbonden.

Promotor en student kunnen problemen bij de begeleiding van de masterproef aan de programmadirecteur of de  adjunct-programmadirecteur melden, die de zaak verder onderzoeken en opvolgen.

6. Indiening

De masterproef moet uiterlijk de eerste maandag van de examenperiode worden ingediend. De datum van indiening moet strikt worden gerespecteerd. De studenten worden van de indiendata op de hoogte gebracht met een bericht op de elektronische valven.

De student moet één elektronische versie en het door de permanente onderwijscommissie vastgelegde aantal papieren exemplaren indienen.
Daarnaast moet de student zijn definitieve titel ook invoeren in de masterproef internetapplicatie (MAIA).

7 Evaluatie

Voor de evaluatie van de masterproef stelt de voorzitter van de examencommissie, eventueel in overleg met of na raadpleging van de promotor, een masterproefcommissie samen die uit de promotor, desgevallend een copromotor, en twee lectoren bestaat. De tweede lector wordt slechts ingeschakeld wanneer de promotor of de eerste lector erom verzoeken, of indien het gemiddelde van de scores van de promotor en de eerste lector verschilt met 3 of meer punten én indien een eerste overleg met de voorzitter van de examencommissie geen oplossing heeft geboden.

 

De promotor informeert de voorzitter van de examencommissie wanneer er tussen het gemiddelde cijfer van promotor en eerste lector een verschil van drie of meer punten is.

 

A ls lector kunnen optreden: alle ZAP-leden, doctorassistenten en andere doctores met een tijdelijk statuut.

Met het oog op de eindbeoordeling van de masterproeven wordt een vergadering met AP-leden belegd waarvan de samenstelling wordt bepaald door de bevoegde POC en waaraan de voorzitter van de examencommissie deelneemt.

Wanneer stage en masterproef worden geïntegreerd, mag niet éénzelfde persoon zowel de quotering voor de masterproef als die voor de stage bepalen.

Bij de beoordeling van de masterproef moeten zowel proces als product in rekening worden genomen. De beoordelingscriteria en de toepassing ervan moeten voor de student transparant zijn. Daartoe stelt de POC een beoordelingsrooster op. Dat beoordelingsrooster bevat een beperkt schriftelijk rapport en vormt een hulpmiddel bij het geven van feedback aan de student.

De POC kan beslissen de studenten hun masterproef mondeling te laten voorstellen en verdedigen. Indien deze mondelinge rapportering geen deel uitmaakt van een ander opleidingsonderdeel, moet de POC de beoordelingscriteria voor deze mondelinge presentatie vooraf aan de student meedelen.

De evaluatie bestaat uit 5 examencijfers, telkens op 20 punten, te verdelen onder promotor, eventueel copromotor en lector(en), waarbij elk lid minimaal 1 en maximaal 3 examencijfers kan toekennen binnen het totaal van 5; de POC bepaalt de precieze verdeling. De evaluatie wordt bij de beraadslaging schriftelijk verantwoord aan de hand van het beoordelingsrooster. Een promotor of een lector die een onvoldoende toekent, moet vóór de deliberatie aan de voorzitter van de examencommissie een uitvoerigere motivatie bezorgen.

In geval van betwisting kan de student de voorzitter van de examencommissie of de ombuds verzoeken om door de examencommissie te worden gehoord.

Leuven, 30 maart 2007

Versie aangepast op 10 mei 2010, 11 oktober 2010, 3 augustus 2011.